Send by email

Enerzijds verwachten we van bedrijven dat ze het lokaal, regionaal en nationaal beleid en bijhorende regelgeving in hun dagdagelijkse praktijk volgen en mee helpen in uitvoering brengen. Anderzijds is elke vorm van regelgeving, aanmoediging, ondersteuning, … gediend met een robuust en weldoordacht adviessysteem over wat in die praktijk wel en niet mogelijk en wenselijk is. Maar hoe zit dat met supranationale beleidsvorming zoals dat van de Verenigde Naties en de realisatie van de Sustainable Development Goals? Welke rol kunnen bedrijven, naast onderzoeksinstellingen, opnemen? Of blijft dit een ver-van-mijn-bed show?

Onder andere het hier aangehaalde supranationaal beleidsadviserend systeem krijgt aandacht in de in oktober 2017 in Brussel geplande eerste editie van de Global Science, Technology & Innovation Conferences (G-STIC), die haar pijlen richt op de realisatie van de Sustainable Development Goals (SDGs) van de Verenigde Naties.

Onder begeleiding van een stuurgroep bestaande uit top-officials van UNEP, UNITAR, UNIDO en, UNCTAD, wordt momenteel vorm gegeven aan dit prestigieuze internationale evenement. Initiatiefnemers zijn Dirk Fransaer, Gedelegeerd Bestuurder van VITO, en Veerle Vandeweerd, voormalig Directeur VN-Milieuprogramma (UNEP) en VN-Ontwikkelingsprogramma (UNDP). Organiserende partners zijn naast VITO, het Asian Institute of Technology, and TERI, het Indian Institute of Technology Delhi.

In het hiervoor geschetst adviserend proces zullen wetenschappelijke inzichten een belangrijke rol opnemen. Maar welke rol kunnen bedrijven, grote en kleine, spelen in dit proces om op een slimme manier de SDGs te implementeren?

Veerle Vandeweerd: Het is duidelijk dat we op dit ogenblik binnen de Verenigde Naties in het algemeen en de realisatie van de SDGs in het bijzonder nog geen robuust technologisch onderbouwd adviessysteem kennen. Dat besef is er, en de experts en overheidsvertegenwoordigers bij de Verenigde Naties vragen naar zo’n wetenschappelijk-technologische onderbouwing van die besluitvormings-mechanismen. Uiteraard leggen we een grote rol bij onderzoeksinstellingen omdat we erop rekenen dat die op een onafhankelijke manier ons de juiste inhoud influisteren. Maar ook de uitvoerbaarheid van het geheel moet bewaakt blijven. Dit willen we met bedrijven nagaan.

 

Dirk Fransaer: Men kan het vergelijken met wat vandaag al op een efficiënte manier op regionaal Vlaams niveau gebeurt. Denk aan de totstandkoming van Best Beschikbare Technieken op sectorieel niveau, of het beleid van de OVAM omtrent regelgeving, handhaving en controle van industrieel afval. In deze efficiënte wisselwerking worden niet alleen onderzoeksinstellingen zoals VITO betrokken, maar ook sectoriële experts en bedrijven. Dit is een beproefd model op regionaal niveau, en met G-STIC kunnen we onze geleerde lessen en beste praktijken van aan de bron influisteren voor het supranationaal niveau. Als we dit goed organiseren, gaat dit het draagvlak voor de SDGs en hun implementatie ten goede komen.  

Hoe kunnen de uitkomsten van G-STIC op internationaal niveau de onderhandelingen vanuit technologisch oogpunt mee beïnvloeden. Welk proces is nodig?

Veerle Vandeweerd: Ik zie een viertal mogelijkheden. Eerst en vooral moeten we op een verstandige manier de topics die op de conferentie aan bod komen, bepalen. Welke zijn beslissend voor werkelijke impact? Ik heb het heel concreet over technologiedomeinen die voor de realisatie van de SDGs het verschil zullen maken. Ten tweede moeten we de verschillende groepen van belanghebbenden nauwer bij elkaar brengen. Ik heb het dan ook over het concreet betrekken van de industrie. Laat ze in dialoog gaan met de besluitvormers of degenen die hen adviseren. Ten derde moeten we voor lief nemen dat er al eens een vertaalslag nodig is. We mogen niet denken dat wat beleidsvormers of wetenschappers uitdokteren, direct uitvoerbaar is. En ten laatste, durf disruptieve thema’s aan te snijden. Als vanuit wetenschappelijk oogpunt blijkt dat bijvoorbeeld technologieën voor Carbon Capture & Usage best ruim verspreid geraken, laat ons dit dan ook concreet zo bij naam noemen. Zo’n techologieën dienen alle steun te krijgen.  Alleen zo bereiken we de schaal die nodig is om de klimaatverandering een halt toe te roepen.  Niet door fragmentarisch her en der niet nader beschouwde technologieën (nog langer) te ondersteunen.

Technologische innovatie en disseminatie op grotere schaal, liefst wereldwijd en op een manier die ontwikkelende markten zich kunnen permitteren, zijn van uitermate belang om een ware omslag tot stand te brengen. Hebben jullie al voorbeelden gezien die de weg tonen?

Dirk Fransaer: In feite zie ik ze dagelijks rondom mij, zelfs als we ons zouden concentreren op de moeilijkere markten als India, China en andere groeimarkten. Deze doen lovenswaardige dingen, onder andere al enkel om mathematische redenen: als zo’n bedrijven hun duurzame technologieën in B2B en B2C markten als China en India met tezamen alleen al 2,5 miljard inwoners implementeren, die trouwens terecht een hogere levensstandaard ambiëren, dan zou het toch fantastisch zijn als zij zich net op die markten focussen. Zo zijn Vlaamse bedrijven bezig met milieuvriendelijke vlamvertragers in de plastiek van onze consumentenelectronica te stoppen (FRX Polymers), kijken ze naar manieren om rurale regio’s van energie te voorzien (Tiger Power) of methodes om voedsel te kweken in door droogte geteisterde gebieden (TerraCottem). Vaak staat er nog een enorme druk op de betaalbaarheid van wat ze op die markten willen brengen, maar de bedrijven die ik noemde slagen erin (of zijn hard hun best aan het doen) in beloftevolle markten hun producten veroorloofbaar te maken. Dat is een belangrijke vorm van innovatie.

Meer informatie: https://gstic.org/